Feeds:
Berichten
Reacties

Screen Shot 2016-07-24 at 20.25.47Net als Vertwijfeling en Angst is Verveling bij Kierkegaard iets onaangenaams, negatiefs dat een heel positieve rol kan spelen in onze zelfwording. Als we er maar doorheen durven gaan, en niet voor wegvluchten. Om te beginnen moeten we het bestaan ervan durven erkennen.

Ondanks alle hectiek en gehaast, onze volle agenda’s en chronische vermoeidheden vervelen we ons kapot. Kierkegaardiaans gezien is deze verveling logisch juist daar waar we ons bestaan niet uit handen durven te geven, maar zelf willen ‘vullen’. We kunnen een eind komen door ons te begraven in het verleden of door ons bezig te houden met wat we nog willen realiseren in de toekomst, maar omdat het verleden noch de toekomst ons in aanraking brengt met onszelf in het hier en nu, is verveling altijd dichtbij. Het plotseling opduikende allesoverschaduwende gevoel van verveling kennen we misschien nog het best uit onze kindertijd, maar het ligt voortdurend dicht onder de oppervlakte van het bezige bestaan dat we nu leiden.

En als ze zich aandient is onze reactie op de verveling primair: weg van hier, ontlopen dat gevoel! Zoals Lars Svendsen in De filosofie van de verveling uit 2006 (waarvan hij zegt dat hij het gemakkelijk met alleen Kierkegaards denken had kunnen vullen) schrijft:

Het is een leegte van de plek die mij kwelt. In de toestandsverveling zou je zowel het huidige tijdskader alsook de plek waar je je nu bevindt, ver achter je willen laten. En net zoals de tijd zich in de existentiële verveling in een soort eeuwig en krachteloos nu oplost, wordt ook de omgeving krachteloos, en het verschil tussen ver weg en dichtbij zakt ineen. (De filosofie van de verveling, 130-131)

Dat verveling alomtegenwoordig en dichtbij is, geeft voedsel aan een enorme verstrooiingsindustrie. Een groot deel van alle menselijke creativiteit en ondernemerschap gaat op aan zelf bezig blijven en het anderen bezighouden. Dat verveling zo’n – vaak ongeziene en onbenoemde – grote zaak is, is echter juist een voortdurende mogelijkheid tot verandering. In de verveling dient zich de mogelijkheid aan transparanter voor jezelf te worden, dichter bij jezelf te komen.

Bij Kierkegaard speelt ‘het ogenblik’ een belangrijke rol. Nu is ‘leven in het ogenblik’ een uitdrukking die gemakkelijk naar twee kanten toe kan worden uitgelegd. Leeft iemand die zo beschreven wordt het leven zoals het bedoeld is, of gaat hij juist onder in het moment en komt hij nooit tot zichzelf ? Kierkegaard speelt regelmatig met die twee kanten van het begrip: iemand die zichzelf wordt leeft in het ogenblik, maar van iemand die niet zichzelf is kan gezegd worden dat hij in het ogenblikkelijke leeft. Voeg daarbij dat het aan iemands gedrag niet een op een af te lezen valt vanuit welke bron hij put, dan is direct duidelijk dat de vraag vooral is hoe wij ‘als enkeling’ tegenover onszelf staan, en dat er geen blauwdruk van verveeld versus vervuld gedrag voorhanden is. Maar de vraag aan onszelf is helder: kiezen we voor de verstrooiing of durven we een andere houding aan?

In een van de toespraken in het boek Wat de liefde doet komt het ogenblikkelijke, de verstrooiing, aan de orde in verband met – hoe kan het anders – de liefde. Die samenhang is bij Kierkegaard voortdurend aan de orde: jezelf worden is onlosmakelijk gekoppeld aan liefhebben. Verstrooiing zoeken, vluchten in het ogenblikkelijke, is dan ook een vorm van wegvluchten voor ‘het grote gebod’ om lief te hebben:

 En nu in onze tijd. Als er iets nodig is in deze tijd, deze tijd waarin alles wordt gedaan om alles ogenblikkelijk te maken en het ogenblikkelijke tot alles, dan is het wel onbaatzuchtigheid! – Want wordt niet alles in het werk gesteld om het ogenblik zo oppermachtig mogelijk te maken, oppermachtig over het eeuwige, over het ware. Wordt niet alles in het werk gesteld om het ogenblik door en door zelfvoldaan te maken in een haast voorname onwetendheid aangaande God en het eeuwige, door en door verwaand in de veronderstelling alle waarheid in pacht te hebben, door en door overmoedig in de idee zelf de uitvinder van het ware te zijn! Wat hebben niet veel van de betere mensen zich gebogen voor de macht van het ogenblik en daardoor het ogenblik nog erger gemaakt. Want juist als iemand van hen vanwege zwakte of egoïsme zwicht, moet hij wel in de drukte van het ogenblik vergetelheid zoeken voor zijn val.

 Verveling brengt ons blijkbaar in aanraking met onszelf op een manier die onaangenaam is en weerstand oproept. Verstrooiing is een veel gekozen uitweg uit die toestand. Maar die vlucht gaat ten koste van onszelf en van een liefdevol, menselijk bestaan. Die vlucht brengt ons verder bij het concrete bestaan uit de buurt en op een plek waar geslotenheid en schaamte regeren in plaats van openheid en vrijheid.

Misschien klinkt dit nog wat abstract en theoretisch. Dan biedt de vakantieperiode een mooie uitdaging om het concreter te maken. Durf het bij een opkomend gevoel van verveling eens aan om niet onmiddellijk een uitstapje te plannen of te telefoon te pakken. Laat zelfs dat boek eens liggen en geef je over aan de leegte die lijkt op te doemen. Best kans dat je er iets in ontdekt over een even mysterieus als waardevol landschap waarin de hemel de aarde raakt en waarin liefde het klimaat bepaalt.

Meer ruimte voor Vertwijfeling, daar wil ik graag voor pleiten.

Ruimte voor ‘een onrust die in ons binnenste woont, een onvrede, een disharmonie’ (Kierkegaard).

Vertwijfeling is dus iets anders dan twijfel, wat mij betreft veel interessanter dan twijfel, veel veelzeggender veel existentiëler. Pleidooien voor twijfel zijn er genoeg. Over hoe goed en nuttig twijfelen kan zijn, hoe bevrijdend het kan werken twijfel toe te staan, pleidooien zelfs voor twijfel als levenshouding.

Zelf heb ik daar niet zoveel mee.

Twijfel hoort erg thuis in het ‘waar of niet waar’ domein en daar worden zelden belangrijke zaken beslist. Tenminste voor mij werkt dat zo. Ik ben meer een vertwijfelaar dan een twijfelaar. En ja, ik vraag dus inderdaad ruimte voor mezelf en voor andere vertwijfelaars, want daar konden er wel eens meer van zijn dan je op het eerste oog zou zeggen.

Maar laat ik eerst bij mezelf blijven. Eigenlijk al zo lang ik me herinner heb ik iets van die onrust, onvrede, disharmonie bij me. Als kind al had ik de neiging om me op afstand te voelen, niet in harmonie met dit aparte, wonderlijke bestaan. Toen ik ouder werd stuitte ik op het begrip paradox dat meteen bij me haakte. Paradoxaal, vol van tegenstrijdigheden die tegen elk gevoel van logica, verwachting of intuïtie ingaan, zo ervaar ik veel in dit leven. Daar heeft mijn vertwijfeling alles mee te maken.

Neem alleen al het feit dat we doodgaan.

Ik heb het niet bewust meegemaakt, maar het is me vroeg verteld: de reden dat ik 2 oma’s en maar 1 opa had was omdat opa Geert een paar weken na mijn geboorte dood zomaar dood was neergevallen. Hij was 49 jaar.

Ik heb bewust meegemaakt toen ik zes was dat mijn tante in de auto waarin ik zat benauwd werd en een paar minuten later dood was. Ze was nog geen 40 jaar. En die lijst is in de loop van de jaren natuurlijk groter geworden en groeit.

Er aan gewend raken doe ik niet. Het is en blijft bizar en onacceptabel.

Een eeuwigheidswaarde in je te voelen en een besef van onvermijdelijke en soms abrupte eindigheid. Dat is een absurde spanning. Een bizarre tegenstelling. Een tegenstelling die leidt tot onrust, onvrede, disharmonie in mezelf.

Nu ben ik behoorlijk christelijk opgevoed, dus –zou je zeggen- was er voldoende voorhanden om me uit die vertwijfeling te halen. Maar dat werkte niet zo. Het geloof dat ik kreeg aangereikt nam de spanning van die paradox vaak helemaal niet serieus. Ik kreeg verhalen te horen waarin die spanning niet echt voorkwam, omdat alles in het teken stond van een blijkbaar voor veel blije mensen in mijn omgeving klip en klare oplossing. Die bizarre spanning tussen leven en dood, zijn en niet-zijn bijvoorbeeld, daar was een helder antwoord op: het eeuwig leven. Bang voor de dood hoefde en mocht je eigenlijk niet zijn, want wij hadden de polsstok in handen waarmee je al fierljeppend over de doodsrivier sprong.

En zo botsten mijn innerlijk beleefde tegenstellingen vaak op een omgeving die er al uit leek te zijn. Ondanks dat Jezus zelf grossiert in paradoxen, over laatsten die eersten zullen zijn, over armen die alles erven, over alles geven en toch alles krijgen. Ondanks dat Paulus wist van tegenstellingen in zichzelf, van doen wat je niet wilt en willen wat je niet doet en zwakheid in kracht, leek ik voortdurend op mensen te stuiten en dingen te lezen die er op neerkwamen dat we eigenlijk al uit die spanning weg waren. Mensen en theorieën die leken te kloppen en hoogstens met schoonheidsfouten streden.

Ruimte voor twijfel was er wel, maar dat was niet mijn probleem. Ik zocht een plek voor mijn vertwijfeling. Twijfel hield je nog wel in hetzelfde spel, maar vertwijfeling omdat je verscheurd werd door onoplosbare tegenstijdigheden, dat lag lastiger.

Iemand om het geloof er helemaal aan te geven ben ik blijkbaar niet al heb ik dat vaak willen doen. Eerder keek ik om me heen naar andere vormen van christen-zijn. Maar de zogenaamde vrijzinnigheid bood me vaak precies hetzelfde aan: een kloppend geheel van waarheden waarin voor de paradox zoals ik die ervoer weinig ruimte was. Leven na de dood bleek daar soms helemaal niet meer aan de orde. Het speelde zich allemaal hier en nu af en hoe die wereld hier en nu er uit moest zien wist iedereen blijkbaar ook al heel precies. Ook in deze kringen was twijfel prima, pluspunten zelfs als die betrekking had op God. Maar vertwijfeling…

En toch bleef het niemandsland van de vertwijfeling de plek waar ik me bevond. Vaak met een schuldig gevoel, een gevoel laf te zijn, veel verwijten aan mezelf makend dat ik niet durfde kiezen. Het maar niet opbracht om simpel en radicaal te zijn. Het is pas van de laatste jaren dat ik als vertwijfelaar uit de kast heb durven komen. En daarbij is Kierkegaard voor mij van onschatbare waarde geweest. Door vertwijfeling wel serieus te nemen. Heel serieus. Hij beschrijft het als ‘de ziekte tot de dood’. Niet dat je er fysiek aan sterft, maar als je er in blijft hangen, als de verlammende vertwijfeling die toeslaat bij het leven in deze paradoxale werkelijkheid alles is, dan ben je levend dood. Eindeloos zijn de situaties die hij beschrijft waarin het mis gaat, maar één ding is daarbij altijd voorondersteld: vertwijfeling is een ziekte, maar het is een ziekte die iedereen treft en waarvan het veel erger is je er niet van bewust te zijn, dan er aan te lijden. Weten dat je vertwijfeld bent is het begin van verandering.

Als vertwijfeld mens kun je uit de spanning weg proberen te stappen door naar ene of de andere kant over hellen. Maar daarmee doe je de werkelijkheid geweld aan, en dat wreekt zich altijd. Je kunt ook blijven zitten waar je zit en vertwijfeld raken over je vertwijfeling.

De enige uitweg lijkt paradoxaal helemaal niet op een uitweg. In de spanning blijven en vooruit bewegen: niet links of rechts de oplossing zoeken, ook geen derde weg bedenken, maar met alles wat onduidelijk blijft in beweging komen. Het leven leven, omarmen en liefhebben zoals het zich aandient.

Want het leven speelt zich af in de spanning. Liefde kan stromen in de ruimte die ontstaat door de paradox niet met geweld op te lossen, maar haar te laten bestaan. De wond van het bestaan open houden is de enige manier om er mee te leven.

Altijd weer komt dat terug in de dagelijkse werkelijkheid en in het geloof. Eindelijk horen die twee bij elkaar, verbonden in de worsteling met de paradox.

Is mijn wil bepaald of volkomen vrij: je kunt er eindeloos over theoretiseren, je er compleet door laten verlammen, maar ook met en in die spanning de liefde gaan doen.

Houdt ‘ik’ op te bestaan bij de dood, of gaat er iets van mij verder? Leef, hoop en vertrouw zonder die spanning te willen oplossen.

Was Jezus mens of God; eindelijk leer ik het af om eindeloos te analyseren en is de enige vraag: geef ik me over aan die Absolute Paradox. Aan de man die zei: ‘wie niet voor mij is, is tegen mij’ en ‘wie niet tegen mij is, is voor mij’. Ik probeer er maar geen touw meer aan vast te knopen.

Dit is geen pleidooi voor Vertwijfeling, wel voor ruimte voor Vertwijfeling.

Vertwijfeling is er genoeg, maar aan ruimte daarvoor is een groot gebrek.

Edward_Hopper_Summer_Interior

Zeker, ik ben bang voor de dood. Dat vind ik ook volkomen logisch. Telkens –want dat gebeurt nog wel eens- als ik iemand hoor zeggen: “Bang voor de dood, nee. Hoogstens voor de pijn, het lijden, de aftakeling”, dan haakt er iets in mij af. Als het pientere argument van Epicurus ter tafel komt: “Voor de dood hoef je niet bang te zijn. Als hij er is ben jij er niet en als jij er (nog) bent is hij er niet”, dan denk ik: geen speld tussen te krijgen, en toch klopt het niet.

De dood als voortdurende mogelijkheid van ophouden, verdwijnen, bezorgt mij angst. De dood als absolute grens, aan de horizon maar misschien ook plotseling, pal voor mijn neus kan me verlammen. Wat is dit voor bestaan waarin ieder moment de grond onder je voeten vandaan kan worden getrokken om je in een afgrondelijk zwart gat te laten verdwijnen? Waarin een ontspoorde cel, een spookrijder, een bacterie, een pinda in je luchtpijp, een hapering in de elektronica van je hart het verschil tussen zijn en niet-zijn kunnen betekenen? Wat is dit voor sadistisch universum?

Ik ben bang voor de dood, beste lezer, en de resterende regels van dit verhaaltje gaan geen verslag worden van hoe die angst is omgeslagen in vertrouwen. Want dat zou niet oprecht zijn. En laat ik nou steeds meer vermoeden dat onoprechtheid brandstof is waarop die doodsangst van mij alleen maar gedijt. Hoe het precies zit snap ik ook niet, maar wat ik wel weet is dat mijn jarenlange pogingen om met zekerheid te denken en te spreken over wat er na de dood komt de angst niet hebben weggenomen. Integendeel, dus. Door te ver bij mezelf vandaan te praten en te denken, door mijn ervaringen, mijn gevoel, mijn protesterende gedachten, niet serieus te nemen, gebeurt er iets negatiefs in mijn verhouding tot mezelf. Ik vervreemd van mezelf en juist die vervreemde staat, dat vervreemde ‘zelf’ is doodsbang. Bang om aan het licht te komen. Bang om midden in dat vertwijfelde verhaal dat het zichzelf probeert te vertellen plotseling afgebroken te worden. Bang om in al z’n gespletenheid onverwacht te moeten verschijnen in de Eeuwigheid.

Ik heb lang gedacht dat zekerheid willen hebben over een persoonlijk voorbestaan na de dood een uiting was van mijn unieke ‘zelf’ dat protesteerde tegen zijn eventuele ‘opheffing’. Zoals zo vaak was het Kierkegaard die de boel op z’n kop zette. In “De Ziekte tot de Dood” schrijft hij over een vertwijfeld mens:

De vraag naar de onsterfelijkheid heeft hem vaak bezig gehouden, en meer dan eens heeft hij de dominee gevraagd of er zo’n onsterfelijkheid bestaat, of we werkelijk onszelf zullen herkennen. En dat moet voor hem ook wel van heel bijzonder belang zijn, aangezien hij geen zelf heeft.

Die gedachte voortzettend komt het er op neer dat ‘zelfwording’ betekent helemaal niet zo met dat persoonlijke voortbestaan bezig te zijn. Onze poging om anders te zijn dan we zijn, ons ‘gewenste’ of ‘geknutselde’, vertwijfelde zelf is de bron van het probleem.

Soms wordt die paradoxale waarheid me even iets duidelijker als ik merk dat juist op momenten van harmonieuze acceptatie van mezelf, op momenten van Genade, sterven helemaal niet zo afschrikwekkend is. Terwijl de platte logica dicteert dat ik juist dan belang heb om iets vast te houden en niet te verdwijnen, is de paradoxale waarheid dat de dood dan haar afschrikwekkende kracht verliest. Soms heb ik dat. Soms. De momenten daar tussen in oefen ik in oprechtheid.

Of ik bang ben? Zeker, ik ben bang voor de dood.

Screen Shot 2016-04-30 at 10.29.48

Een rare onrust is het, mijn ‘bestaan’. De regenton voor mijn raam en de kat die er op ligt schijnen er geen last van te hebben, maar mij verontrust het. Ik zou het graag, net als zij, ondergaan; nemen voor wat het is. Maar dat kan ik niet. Het is me te wonderbaar en te beangstigend. Dat alles beweegt, verandert. Dat alles onderworpen is aan, bestaat in de tijd. Dat ik nergens écht houvast aan heb. Niet aan de wereld buiten mij, niet aan iets in mij. Ik krijg het in mijn gedachten soms wel even op orde, maar die orde is altijd van korte duur. Ik heb soms het gevoel dat alles klopt, maar dat gevoel ebt ook zomaar weer weg.

Het is fijn dat er zoveel inspanningen worden gepleegd om mij het idee te geven dat het allemaal wel te overzien is. Dat er elk uur een rustige stem op de radio de wereld ordent, dat er ’s avonds tafels in tv studio’s staan waaraan mensen plaats nemen die het lijken te snappen, dat alsmaar voortdenderende gedoe. Mooi ook dat er eens in de zoveel tijd een hogepriester van het vooruitgangsgeloof in de Westergasfabriek laat zien wat we allemaal al wel weten en begrijpen. En dat een jongensachtige presentator jongensachtig ‘oh’ en ‘ah’ roept en alsmaar blij blijft. Maar het lukt mij niet om in Vooruitgang en Wetenschap te geloven en zo de chaos op afstand te houden.

Het zou al helpen als het soms, even zou kunnen. Een soort foto maken van de werkelijkheid en die dan bestuderen. Zodat ik in ieder geval achteraf iets meer zou begrijpen. Een beroemd citaat dat aan Kierkegaard wordt toegeschreven luidt:

Het leven kan slechts achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd.

Dat veronderstelt dat we achteraf tot begrijpen in staat zijn. Maar dat heeft Kierkegaard nooit geschreven. De oorspronkelijke tekst waar de versimpelde tegelspreuk op terug gaat is:

Het is beslist waar wat er in de filosofie wordt beweerd, dat het leven naar achteren begrepen moet worden. Maar daarbij vergeten ze de andere stelling: dat het naar voren geleefd moet worden. En hoe meer je op deze laatste stelling doordenkt, hoe meer je er ten slotte van overtuigd raakt dat het leven in de tijdelijkheid nooit echt begrijpelijk wordt, juist omdat ik geen enkel ogenblik de volle rust kan krijgen om die ene positie in te nemen: naar achteren.

Ik kom nooit in de positie om eens rustig de boel op een rijtje te zetten; opgenomen als ik ben in de chaos van beweging die dit leven is. Ik vermoed dat het alleen maar meer tot me door gaat dringen in de tijd die me nog gegeven is: dat ik vastgeketend ben aan de tijd. Dat er geen ontkomen aan is. Dat alles in deze werkelijkheid onderdeel van die maalstroom is.

Ik vermoed dat dat bewustzijn onze cultuur ook steeds meer gaat doordringen. Dat de hogepriesters van het vooruitgangsgeloof aan een laatste min of meer succesvolle tournee bezig zijn. Dat niet zozeer de chaos toe zal nemen, maar wel het besef ervan. Dat de onbegrijpelijkheid en de onbeheersbaarheid van het bestaan onontkoombaar zullen worden.

 Alles is fictie, droom en chaos, bedekt door een heel dun laagje schijnwerkelijkheid waar we in het dagelijks leven iets van proberen te maken, schreef columnist Rob Schouten een paar dagen geleden in Trouw. Bijna was ik het met hem eens. Het dunne laagje schijnwerkelijkheid en de chaos daaronder herken ik; onder het plaveisel het moeras. Maar fictie en droom? Die zijn belangrijk, ongetwijfeld. Het verhaal dat mij op de been houdt is echter non-fictie en weinig dromerig van aard. Het verhaal van eeuwige Liefde die onderdeel van de chaotische tijdelijkheid werd, van een Liefdevol mens die aan dit bestaan kapot leek te gaan, maar niet te stoppen bleek. Voorwaarts leven dan maar, die rare onrust ten spijt.

Het zijn er veel, en zo dicht om mij heen ook. Mensen die lijken over te lopen van liefde voor vluchtelingen. Het is alsof ze al tijden hebben gewacht op de vluchtelingenstroom om heerlijk relevant, urgent en actueel christen te kunnen zijn. Alsof ze een voorraad liefde hebben opgebouwd die in het gewone comfortabele Hollandse bestaan door niemand werd opgeëist, maar die nu een adres heeft gekregen.
Is natuurlijk allemaal niet waar, maar zo komt het op mij over. Waarschijnlijk omdat ik het niet heb, dat ogenschijnlijk vanzelfsprekend overlopende vat vol mededogen, affectie, liefde. Natuurlijk vind ik het verschrikkelijk, schrijnend en soms te pijnlijk om naar te kijken, die stromen mensen die zich door hekken wringen of op stations liggen te slapen. Om nog maar te zwijgen van dat beeld van een stilliggend kind op het strand, de branding onverschillig kabbelend rond zijn gezicht.
Maar mijn hoofd zit ook vol met luidruchtige gedachten, mijn hart loopt over van angst en wantrouwen. Ik pieker en vertwijfel over ‘opvang in de regio’, over ‘al die jonge mannen’, over ‘christenen mishandeld en overboord gezet’. Terwijl ik weer verontwaardigd wegschrik als iemand rabiate rechtse taal uitslaat. Kortom, ik weet het niet zo goed meer.

In zo’n bui pakt Kierkegaard me weer eens bij de lurven met een stuk uit “Wat de liefde doet”:
“Maar wat is nu eigenlijk liefde? Liefde is het liefde te veronderstellen. Liefde bezitten betekent dat je liefde bij anderen veronderstelt. Liefdevol zijn betekent dat je veronderstelt dat anderen liefdevol zijn.”

In al z’n simpelheid helpt zo’n citaat mij om de in mij ronddraaiende vertwijfeling tegen te gaan. Ik hoef niet te weten wat al die mensen in mijn omgeving die uitbreken in hulpgedrag precies beweegt. Ik moet de liefde in ze veronderstellen. Ik hoef niet te weten wat er om gaat in de hoofden van al die mannen met die –in mijn ogen- donkere blikken die aan land stappen in Europa. Ik moet de liefde in ze veronderstellen.
Als mijn hart blijkbaar niet spontaan overloopt van alleen maar warme gevoelens is het zinloos om daar over te vertwijfelen, of om die ambivalente gevoelens te vertalen in een roep om veiligheid en controle.

Als iedereen de liefde in de ander zou veronderstellen in plaats van bezig te zijn met wat er in haarzelf opdoemt aan al dan niet affectieve gevoelens zou er ongekende revolutie plaatsvinden. Liefde zien en gaan beleven als iets dat niet in mijzelf aanwezig hoeft te zijn om het te kunnen geven, maar als iets dat tussen mensen ontstaat als we elkaar fundamenteel vertrouwen geven; dat zou wat zijn.

Liefde is iets geven dat je niet niet bezit.
Om nog eens op te kauwen, omdat Frans zo’n mooie taal is en omdat heus niet alle wijsheid uit Denemarken komt:

“L’amour, c’est donner ce qu’on n’a pas.”

Hij zou een boeiende zomergast zijn geweest, Johann Wolfgang von Goethe. De beroemde Duitse dichter, wetenschapper, toneelschrijver, theaterdirecteur, staatsman leefde van 1749 tot 1832 dus dat wordt wat lastig. Bovendien: welke fragmenten zou hij hebben moeten kiezen? Maar die praktische bezwaren daargelaten, een avondje Goethe had zomaar een spannend gesprek op kunnen leveren. Een herkenbaar gesprek ook over literatuur, echt leven of toeschouwer zijn, over de natuur, over de spanning van het ontdekken, over de liefde en verliefdheid, over levensmoeheid en melancholie, over God en over geloven.

In zijn jonge jaren kwam hij, het kan moeilijk anders in die tijd, regelmatig in aanraking met orthodoxe christenen, maar met steile, conservatieve orthodoxie heeft hij helemaal niets. Hij is een tijdje onder de indruk van de piëtistische Hernhutters, maar hij heeft een “gehechtheid aan zichzelf en aan de wereld” waar hij niet vanaf wil, die hem tot de dichter maken die hij is. Hij kan ook niets met hun zondebegrip, want hoe hij ook zijn best doet te ontdekken wat dat is, hij vindt zichzelf geen zondaar. Toch blijft hij het wel zijn leven lang over ‘God’ hebben, maar vooral in dichtvorm. En zijn God is eerder een immanente God, die niet achter of boven de wereld staat, maar er in opgaat. Tot die wereld wendt Goethe zich dan ook als hij de leegte te dichtbij voelt komen. Hij gaat dan niet bij zijn innerlijk te rade, maar trekt naar buiten, zoekt stenen, doet experimenten met stoffen en werkt aan een theorie over kleuren. Als iemand een ingewikkeld gesprek over levensbeschouwing of politiek wil opstarten kan hij plotseling overschakelen op een enthousiast verhaal over één van zijn ontdekkingen. Alsof hij Wittgenstein al gelezen heeft: “waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen”.

Waarover hij zijn leven lang niet zwijgt is de liefde, over misschien beter: de verliefdheid. Hij heeft heel wat relaties en affaires, al dan niet met getrouwde vrouwen. Hij trouwt zelf ook, maar blijft gemakkelijk verliefd worden, en als 72-jarige weduwnaar raakt hij nog helemaal in de ban van een 17-jarig meisje.

De wereld als, soms boeiend, som afschrikwekkend, soms leeg mysterie. De kunst en de wetenschap om een beetje met het leven in die wereld om te kunnen gaan. Spelen met het leven, maar niet al te vrijblijvend. Levenskunstenaar zijn maar ook je verantwoordelijkheid als bestuurder nemen, van je leven een kunstwerk maken. Ik denk dat veel kijkers van die onmogelijke zomergasten-avond zich behoorlijk zouden herkennen in die gast van 2 eeuwen geleden. De privileges van het zin-zoeken van de Upperclass uit Goethes tijd zijn in bezit gekomen van een grote groepen 21e eeuwers, maar niet zonder de ongemakken zoals het taedium vitae, de levensmoeheid.

Ik zou wat graag de interviewer spelen in zo’n gesprek met Goethe en waar ik lang over zou willen praten is de vraag: hoe verhouden zich voor hem God en de wereld tot elkaar? (Wordt een dip in de kijkcijfer-minuten-analyse, maar vooruit.) Is God alleen te ervaren en te kennen in en door de wereld, de mensen, de kunst, de wetenschap, zoals Goethe lijkt te beweren? ‘Nee’ is een gemakkelijke evangelische tegenwerping, maar wat betekent dat dan in de praktijk? Leef ik in de praktijk niet helemaal vanuit wat mij immanent toevalt, vanuit mijn ervaring van schoonheid, verbondenheid en liefde. Ervaringen waar ik zo nu en dan, in een vrijmoedige bui, het woord ‘God’ op plak.

En toch, en toch. Kierkegaard (ja, daar is ie eindelijk) heeft het vaak over het ‘anders zijn’ van God als het gaat over geloven. God tegenover mij, niet alleen in de vorm van de wereld, maar als ‘de Ander’. Een God tegenover wie ik verantwoording heb af te leggen. Tegenover wie mijn tekort zichtbaar wordt als zelfgekozen vervreemding, noem het zonde. Geloven is zo lastig, zegt hij, omdat het zo lastig is te gehoorzamen aan iets of iemand buiten mij. Daar zit ie wel ergens. Het verschil tussen een immanente en een transcendente God is geen dogmatisch dingetje. Het is een groot, praktisch ding dat mijn leven van alledag aangaat.
Het heeft iets te maken met het verschil tussen de bejaarde Goethe die bijna puberaal een nieuwe dosis geluk lijkt te zoeken bij de 17 jarige Ulrike en de 42 jarige Kierkegaard die op zijn grafsteen een kinderlijk piëtistisch liedje laat zetten: Het was een korte tijd, toen heb ik overwonnen, toen was de hele strijd opeens voorbij. Nu kan ik mij vermeien op rozenweiden en mag ik ongestoord mijn Jezus prijzen.

Goethe wilde er dus niet aan geloven? Ik weet het niet. Het is ook niet de meest interessante vraag na dat imaginaire avondje zomergasten of na het dichtslaan van de prachtige biografie die Safranski over hem schreef. Na het luisteren en lezen ben ik weer terug bij mezelf. Bij ‘me, myself and I’. Of ‘me, myself …and God’?

[Naar aanleiding van: Rüdiger Safranski, Goethe, kunstwerk van het leven, Atlas Contact, 2015.]
johann_wolfgang_von_goethe_bearbeitet_von_andreas_werner

Het gebeurt mij (te) vaak dat ik de wereld in tweeën denk, waarbij ik zelf toevallig aan de goede kant eindig. Het wel/niet hebben van smaak, gevoel voor rechtvaardigheid, redelijkheid, humor; in mijn gedachten ontstaan rond dat soort thema’s met gemak tweedelingen tussen mijzelf (wel in het bezit van) en vele anderen (niet in het bezit van). Als ik mezelf daarop betrap en probeer mijn oordeel los te laten, wordt de werkelijkheid onprettig ingewikkeld. Het kan toch niet echt zo zijn dat de platte smaak en het botte inzicht van ‘die ander’ van dezelfde waarde en betrekkelijkheid zijn als mijn genuanceerde en verfijnde hersenspinsels en gevoelens? Ik moet er niet aan denken.

Een hele taaie tweedeling in mijn alsmaar splitsingen aanbrengende kijk op de wereld is die tussen ‘dom’ en ‘slim’. Die scheiding ligt onder heel veel andere oordelen die ik vel. Ontzag voor intelligentie en minachting voor domheid, dat zijn de vormen die dit oordeel meestal aanneemt.

Kierkegaard had veel op met ‘de gewone man/vrouw’. Bij hen ontwaarde hij een eenvoud die ‘alle verstand te boven gaat’. De mensen die er in het Kopenhagen van de 19e eeuw toe deden hielden zich de hele dag bezig met cultureel verantwoorde bijeenkomsten en discussies. Kierkegaard kon zich daar met gemak in mengen en mee meten. Dat deed hij dan ook, maar met een totaal andere agenda dan veel van de andere deelnemers. Al die ontwikkeling, al dat voorop lopen in historische ontwikkeling, al dat denken zag hij als ruis die afleidt van waar het werkelijk om gaat: eenvoudige liefde. In plaats van een partijtje mee te blazen schrijft hij boeken waarin hij probeert een partituur te scheppen voor muziek die de verleidelijke melodieën van het ontwikkelde verstand wil ‘terugspelen’. Terug naar de eenvoud.

In het 21e eeuwse westen zijn er nogal wat virtuele plekken waar intelligentie, verstand, slimheid (en daarmee verbonden, smaak, schoonheid en spiritualiteit) de toon bepalen. Blogs bijvoorbeeld waar ontwikkelde mensen elkaar de loef afsteken met scherpe humor, fraai taalgebruik en een fijne neus voor ‘waar je moet zijn’ en ‘wat er toe doet’. Dat hoeft helemaal niet verkeerd te zijn, maar zodra dat soort ‘slimheid’ zich gaat afzetten tegen vermeende ‘domheid’ wordt het uitkijken. Uitkijken voor mij in ieder geval.
Ik betrap mij er op dat ik naar documentaires als die over de ‘Bond tegen vloeken’ kijk met een gevoel dat dicht aanligt tegen minachting. Of dat ik Alain Verheij’s verslag op Twitter van zijn bezoek aan de ‘Mars voor Jezus’ dikke pret vind. Even lekker uitstijgen boven zoveel naïviteit en domheid bij de deelnemers.

“Het verschil tussen een wijze en de meest eenvoudige mens bestaat er slechts in dat een eenvoudig persoon weet heeft van het essentiële, waar een wijs mens slechts stukje bij beetje achter komt doordat hij ontdekt wat hij niet weet.” (Kierkegaard, in Het Afsluitend Onwetenschappelijk Naschrift)

Nog veel tweedelingen los te laten voor deze jongen, nog veel niet-weten te ontdekken.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.